Pers onder Duitse censuur tijdens de Tweede Wereldoorlog

Met de Duitse bezetting kwam een einde aan de grondwettelijk gewaarborgde persvrijheid in België. Zo goed als onmiddellijk voerde de bezetter een systeem van preventieve censuur in. In de herfst van 1940 schakelde het Militair Bestuur over op censuur achteraf. Omdat dit systeem niet waterdicht bleek te zijn, werd vanaf augustus 1942 opnieuw een preventieve censuur ingesteld. Bovendien moest een krant om te mogen verschijnen van de bezetter toelating verkrijgen.

 

De bezetter controleerde alles

Het Militair Bestuur zette ook andere middelen in om de pers te controleren. Zo waren er de centralisering van de nieuwsgaring, het instellen van een monopolie op de distributie, de verplichting voor journalisten om aan te sluiten bij een officiële beroepsorganisatie en de controle van de papierbedeling. Het vooroorlogse persagentschap Belga werd onder Duitse controle gebracht en herdoopt in Belgapress. Alle kranten werden verplicht een abonnement te nemen op het persagentschap. Zo kon de instroom aan nieuws worden gestuurd door de bezetter. De eveneens door de Duitsers gecontroleerde distributiefirma Dechenne was het enige kanaal om de krant in de winkel te krijgen. Wie als fotograaf of journalist actief wou zijn, moest daarvoor ofwel een toelating krijgen ofwel lid worden van een officiële beroepsvereniging. Tenslotte werd ook de papierbedeling door de Duitsers gecontroleerd. De Propaganda-Abteilung, een afdeling van het Militair Bestuur, was de belangrijkste instantie om de pers te controleren en te censureren. Daarnaast speelden ook de Duitse ambassade in Brussel, de Wehrmacht en de Sicherheitsdienst een rol in de ‘gelijkschakeling’ van het Belgische perslandschap.

Kranten bleven verschijnen

Tussen het begin van de bezetting en de bevrijding verschenen 35 titels. Een aantal werd niet de hele periode, maar slechts enkele maanden of jaren gepubliceerd. De gecensureerde pers kan worden ingedeeld in drie grote groepen: de pers van de collaborerende partijen en bewegingen, de niet gebonden dagbladpers en de ‘gestolen pers’. De eerste groep bestond uit kranten die de officiële spreekbuis vormden van collaborerende partijen en bewegingen zoals Volk en Staat (VNV), Le Pays Réel (Rex) of De Gazet (Devlag). Bij de ‘niet gebonden dagbladpers’ horen de kranten die na de meidagen van 1940 opnieuw verschenen, al dan niet onder een nieuwe titel. Het waren geen officiële spreekbuizen van een collaborerende partij of organisatie. Voorbeelden daarvan zijn De Dag of Le Courrier de l’Escaut. Een aantal ‘niet gebonden kranten’ waren wel nieuwe titels met een uitgesproken Nieuwe Orde-profiel, zoals Le Nouveau Journal of Het Vlaamsche Land. Met gestolen kranten worden dagbladen bedoeld die opnieuw verschenen zonder het akkoord van de eigenaars, zoals Le Soir en Het Laatste Nieuws

Ondanks alles, een groot publiek succes

De gecensureerde pers kon op veel belangstelling rekenen en was in vele gevallen ook behoorlijk winstgevend. De oplages waren aanzienlijk en evenaarden vaak de vooroorlogse cijfers. Soms bestond er echter wel een grote discrepantie tussen de oplage en het aantal werkelijk verkochte kranten. De Brusselse kranten zoals Le Soir en Het Laatste Nieuws werden gedrukt op meer dan tweehonderdduizend exemplaren per dag. De meeste kranten hadden een oplage van veertig tot zeventigduizend exemplaren. De uitgesproken gekleurde pers van de collaborerende partijen en groepen deed het door de band minder goed en na 1941 nam de belangstelling voor de gecensureerde pers in het algemeen af. De aantrekkingskracht van de gecensureerde pers wordt doorgaans verklaard door de informatieve waarde van de kranten. Zo was er bijvoorbeeld nood aan feitelijke informatie over de ravitaillering. Ook op de grote behoefte aan ontspanning en verstrooiing speelden de kranten maar al te graag in. Op het vlak van berichtgeving over binnen- en buitenlandse politiek waren de artikelen veel meer gestroomlijnd en stereotiep. Vanzelfsprekend was de sterke greep van de bezetter hiervoor verantwoordelijk. De gecensureerde pers had tevens een sterke symbolisch-politieke betekenis zoals blijkt uit de dodelijke aanslag van het verzet in april 1943 op Paul Colin, de stichter van Le Nouveau Journal.

 

Bibliografie

  • Alain Colignon, ‘Première page, cinquième colonne’ in F. Balace (ed.), Jours de guerre/Jours Noirs, Bruxelles, Crédit Communal, 1992, p. 7-32.
  • Els De Bens, De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944), Kapellen, De Nederlandsche Boekhandel, 1973.
  • ‘Presse de collaboration (langue française) – Presse de collaboration (langue flamande)’ in, Paul Aron, José Gotovitch (eds.), Dictionnaire de la Seconde Guerre mondiale en Belgique, Bruxelles, André Versaille, 2008, p. 345-350.
  • Roel Vande Winkel, ‘Gelijkgeschakelde stemmen : officiële informatiemedia in bezet België, 1940-1944’, in, Tegendruk. De geheime pers tijdens de Tweede Wereldoorlog, Gent, Brussel, Antwerpen, Amsab-ISG/SOMA-CEGES/Erfgoedcel Stad Antwerpen, 2004, p. 49-66.
  • Rudi Van Doorslaer, ‘Ulenspiegel: Een kommunistisch eksperiment met een Vlaams-nationale legale oorlogskrant Antwerpen: 5 januari 1940-1 maart 1941’ in, Wetenschappelijke Tijdingen, 1975, 34, 2, p. 93-94.